Als kind was ik verlegen. Stil en op de achtergrond. Middelmatig op school.
Misschien ben ik het daarom gewend om altijd mijn eigen weg te gaan. Heb ik altijd mijn eigen keuzes gemaakt. Heb ik daarom vaak de grens opgezocht van wat ik alleen kan doen. En wat ik af en toe moet weggeven om er ook wat voor terug te krijgen.
Want je wilt iemand worden. Je wilt ergens goed in zijn.
Maar ik heb het niet zomaar gekregen. Ik was geen natuurtalent. Hard werken, kijken. Leren dat je niet te hard moet zoeken. Want dan vinden dingen jou. Vorm. Snelheid.
Ik ben gewoon op van die kleine houtjes begonnen. Vol passie. Vol overgave. Ik was niet meer te stoppen. Wilde alleen maar beter worden. Steeds sneller. Elke dag weer. Nog steeds. Vooruitgang.
Want wat ik heb gehaald, dat vind ik niet echt belangrijk. Alleen maar vooruitkijken, dat vind ik veel belangrijker.
Straks na het schaatsen begin je gewoon helemaal opnieuw. Kijken wat je dan weer kan halen. Dus je begint eigenlijk gewoon weer een nieuw leven. Je wordt als het ware opnieuw geboren en vul het daarna maar weer in.